dinsdag 6 januari 2026

vita gerlaci 6





'Voor zijn gewoonte, die hij nooit naliet, om op reis of liever op pelgrimstocht te gaan voor een bezoek aan de Heilige Servatius, heeft iedereen hoge waardering en grote bewondering, maar navolging is uiterst lastig en, naar het mij voorkomt, zelfs onmogelijk...

De afstand tussen de kluis van de H. Gerlach en het graf van de H. Servatius te Maastricht bedraagt een grote mijl [in werkelijkheid 9km, 2u lopen]. Gedeeltelijk is de weg heuvelachtig, met een lastige helling, en op regendagen is de grond er zo kleverig en moerassig, dat men zelfs gezeten op een fors paard nauwelijks vooruit kan. Bovendien: in de winter verhardt de grond onder de ijzige koude en wordt ruig, als met doornen bezet. Zodat reizigers die blootsvoets gaan, wel eens een bloedig spoor nalaten. 

Maar de Heilige man verliet zijn rustbed - een laag stenen - elke nacht bij het eerste hanengekraai en hij was steeds ter plaatse vóór de broeders van de kerk van de Heilige Servatius, die in het midden van de nacht opstaan voor hun nachtofficie ter ere Gods. 

Hij was dan aan het einde van zijn krachten door de honger, een gevolg van zijn vasten, en ging gebukt onder het gewicht van zijn harnas, ontveld door dat ruwe, haren kleed. Niet zelden totaal uitgeput, na een tocht door de duisternis, over een gladde weg, soms zwaar gekwetst aan zijn voeten, door de ijzigkoude uitsteeksels. 



En wat nog erger is...

herhaaldelijk werd hij lastig gevallen door duivels...

die hem zichtbaar verschenen en een eind met hem meeliepen over de weg.

Het gebeurde, zoals gezegd, dat hij zich verwondde aan de hardbevroren weg, zodat bloed, druppel na druppel, uit zijn voeten sijpelde en hij over de hele afstand een bloedig spoor naliet...

Toen iemand hem eens, tijdens een strenge winter, ook barrevoets vergezelde, en erover klaagde dat zijn voeten vreselijk pijn deden, zei de man Gods: "Probeer eens met jouw voeten te treden in de voetstappen die ik in de grond achterlaat!" Dat deed hij, en spoedig trad er een verandering op: de koude die hij voordien als een verschroeiende pijn had ervaren, voelde hij nu als dauw in de lentetijd.



Maar een andere keer...

liet een zekere Herman, die wegens zijn bleke gelaatskleur de bijnaam de Blankerd had gekregen, en die ook een vroom leven leidde, op geringe afstand van Gerlach... liet die zich door diens voorbeeld inspireren, en bracht net als hij herhaaldelijk een bezoek aan het heiligdom van de Heilige Servatius.

Ze spraken dan met elkaar af, dat degene die het eerst aankwam bij het kruis dat aan een tweesprong, niet ver van Maastricht, de reizigers de weg aanwees, zou blijven wachten op de ander, om vervolgens samen verder te gaan om de gedachtenis van de Heilige belijder Servatius te eren.

Nu gebeurde het bij herhaling dat, wanneer de Heilige Gerlach zoals gewoonlijk vroom op weg was, de boze geest hem verscheen in de gedaante van bovengenoemde Herman, en dat deze met hem de weg voortzette, en hem onopvallend en als het ware druppel voor druppel het gif van zijn boosaardigheid influisterde. 

Maar toen de demon bemerkte dat de Heilige man het venijnige gif, dat hij in diens oren en in zijn hart liet binnendruppelen, beheerst uitspuwde, stortte hij zich met een onverhoedse sprong vanaf de brug in de Maas, die door Maastricht vloeit. Hij liet daarbij een schandelijk spoor na, en leverde aldus het bewijs ervan dat hij de duivel was. 

Een andere keer, toen de vijand van het mensdom de devotie van Gerlachs bedevaart wilde verstoren, liet hij kuipen, wijnvaten en andere voorwerpen van dien aard rondom de heilige tollen. Maar ook met deze kunstjes van zijn boosaardige geest, oogstte hij geen enkel succes.





De Heilige man bleef de strenge onthouding beoefenen

en onvermoeibaar zijn bedevaartstochten naar Servatius, Gods heilige, herhalen.

Op de (zevenjaarlijkse) sabbatdag evenwel, waarop de Kerk traditiegetrouw de gedachtenis van onze glorierijke Meesteres plechtig viert te Aken, zo wat drie mijl [25km, 6u lopen] verwijderd, begaf hij zich met zijn ransel en zijn stok, kentekenen van zijn bedevaarttocht, hierheen - naar de meest vermaarde kerk van het Roomse Rijk.

Deze kerk was gesticht door Karel de Grote, en door de Heilige paus Leo III, vergezeld door talrijke bisschoppen, aan de Heer gewijd ter ere van de Moeder Gods en Maagd Maria. Daar wordt de gedachtenis van de eerbiedwaardige Theotokos door alle volkeren der aarde vroom vereerd en de plaats wordt druk bezocht.

Wie zou in staat zijn om een beschrijving te geven van de bekoringen en van de aanvallen waaraan Gerlach werd blootgesteld als de gevallen engelen hun strikken spanden langs deze weg? 

Maar Gerlach’s volharding was gefundeerd op de stevige rots van het ware geloof, en werd door geen enkele vijand aan het wankelen gebracht. '


[bron 1225/1600]

Geen opmerkingen:

Een reactie posten