'Op dat moment zetelde (de Engelse) Paus Adrianus IV op de Apostolische stoel
en regeerde Keizer Frederik I Barbarossa over het Roomse Rijk.
Deze laatste had zijn wijding of zalving van de voornoemde paus ontvangen.
Deze Keizer Frederik was de grootvader van de huidige Frederik II...
De man Gods, Gerlach, begaf zich dus opnieuw naar Rome, bij deze paus, en deelde hem mede dat hij de opgelegde termijn van zeven jaar boete tot een goed einde had gebracht. Nederig smeekte hij hem om richtlijnen over de aard van het religieuze leven dat hij voortaan zou kunnen leiden en over de weg die hij daarheen moest volgen.
De paus stelde hem nu verscheidene Regels voor die heilige mannen ten behoeve van zowel monniken als van kanunniken hebben opgesteld. De man Gods gaf ten antwoord, dat hij zich reeds door bepaalde geloften onverbrekelijk tot enkele verplichtingen had verbonden. Hij legde hem uit, dat hij het gebruik van paardentuig, het nuttigen van wijn en vlees had afgezworen. Dat hij steeds, zowel in de zomer als in de winter, de vasten in acht zou blijven nemen, voorts het ongemak van een haren kleed en de beoefening van andere moeilijke taken zou blijven doorstaan, met het oog op vergeving van Godswege. Dat zou hij volhouden gedurende de rest van zijn leven.
Om die reden, zo verklaarde hij, kon hij beslist niet aansluiten bij vrome mensen die in gemeenschap onder een Regel leefden. De paus keurde de beslissing om in afzondering te gaan leven goed, rekening houdend met de voortreffelijkheid van de voorgenomen levenswijze, en stuurde de man Gods, in het bezit van de pauselijke goedkeuring, terug naar zijn streek.
Hij gaf hem de richtlijn te leven in de overtuiging dat het zijn opdracht was heel zijn vaderlijk erfdeel uit te delen, niets te behouden, en dat hij, genoegen nemend met wat hij nodig had om te eten en om zich te kleden, de rest voor vrome doeleinden zou uitdelen aan kerken en aan armen.
De man Gods aanvaardde deze levensregel en keerde naar zijn geboortestreek terug. De brief van de paus nam hij met zich mee en de bul, op naam van Adrianus IV, wordt als bewijs tot op de dag van vandaag in onze Gerlachuskerk bewaard.
Teruggekeerd op zijn eigen landerijen en beseffend dat alleen talrijke verstervingen voor ons de poort van het Rijk Gods kunnen openen, begon hij aan de uitvoering van een uitzonderlijk streng ideaal en aan een leven van ontbering, zoals wij dat in onze tijd niet meer kennen.
Juist op de plaats in ons atrium, waar thans zijn hoogheilig lichaam rust en er de glorie van de verrijzenis en van de zalige verheerlijking afwacht, op een terrein dat hem toebehoorde en waarover hij zeggenschap had, stond een oeroude eik, die aan zijn voet een geweldige omtrek bereikte.
Daarin liet hij een ruime holte maken, en een hoop stenen aanbrengen, waarover hij een matje legde. Dat vormde het rustbed waarop hij zijn ledematen de rust van de slaap gunde.
Op zijn blote lichaam droeg hij een haren kleed en daarover een ijzeren harnas. In deze tijd leven nog oude mensen in onze buurt die hiervan getuigenis kunnen afleggen.
Zij beweren ook dat ze voor de fundering van de kerk, die boven de resten van de zalige man gebouwd werd, van tussen de verdorde wortels van die eik zo’n massa stenen hebben weggehaald, dat ze nauwelijks in twee of drie beurten op goed gevulde wagens konden vervoerd worden.
Ook beweren ze er nog resten van het matje te hebben gevonden, waarop de man Gods gewoonlijk rust nam.'
Geen opmerkingen:
Een reactie posten