dinsdag 6 januari 2026

vita gerlaci 3




-Gulik/Jülich, NRW-

'Toen het de Hemelse Gratie behaagde

om haar dienaar Gerlach uit de slavernij van Babylon te bevrijden,

en hem te Jeruzalem tot een kranig verdediger en trouw dienaar van onze hemelse moeder te maken, 

gebeurde het dat Gerlach op zekere dag, zoals hij dat vaker deed, zich met zijn medestrijders begaf naar een ridderlijk steekspel - in de volkstaal "toernooi" geheten. Hij bekleedde in het leger inderdaad een funktie die in onze taal "ridtmeister", i.e. "soldatenmeester", wordt genoemd, een funktie die lang geleden met de naam "krijgstribuun" werd aangeduid.

Op de afgesproken dag stonden de afdelingen voor een militaire oefening opgesteld aan de voet van een vesting van Julius Caesar - naar hem trouwens Gulik genoemd - en Gerlach reed in volle wapenrusting, aan het hoofd van de soldaten die onder zijn bevel stonden, naar de plaats waar de kamp zou plaatsvinden.

Reeds stond hij klaar om het gevechtsterrein te betreden, reeds hield hij zijn schild voor de borst en bracht hij zijn lans in gereedheid, toen hij door het bericht van een grote tegenslag - het overlijden namelijk van zijn echtgenote - werd getroffen en een diepe zucht slaakte.

Maar geraakt door de dauw van de hemelse genade,

gingen weldra de ogen van zijn verstand open

en hij begreep dat rijkdom vergankelijk is,

dat ereposten voorbijgaand zijn,

dat ze niets anders betekenen

dan ijdelheid en bedrieglijke illusie.


-H. Franciscus geeft kleren terug (Giotto)-


-David offert water
[2 Sam. 23]-

Dadelijk en ten aanschouwe van de grote menigte strijders die daar bijeengekomen was, legde hij zijn bandelier af. De borstplaten en het tuig van zijn paarden, de luister en de glans van zijn wapen offerde hij aan de Heer, zoals de vrome koning en profeet David dat deed met water van Betlehem. 

Plechtig verklaarde hij voor die dingen voortaan geen belangstelling meer te hebben, ze niet meer ter hand te zullen nemen, nu zijn aandacht gevestigd was op een waardevoller leven.

Naar het voorbeeld van de Verlosser, op weg enkele dagen vóór zijn passie, nam hij plaats op de rug van een nederig ezeltje en keerde aldus terug naar zijn eigen streek. Deze onverwachte en belangrijke beslissing wekte een niet geringe verwondering bij eenieder die er getuige van was. 


Na zijn huis te hebben weggeschonken en zijn zaken te hebben geregeld vertrok Gerlach vervolgens blootsvoets, zijn lichaam gehuld in een haren kleed, waarover hij een ijzeren harnas droeg. Hij maakte er een bedevaartstocht van naar verscheidene plaatsen waar heiligen rusten, en bereikte uiteindelijk Rome. 

Daar bracht hij een bezoek aan de kerken van de apostelen, beleed er zijn zonden en vroeg aan de paus en de kardinalen dat ze hem de weg van de boetvaardigheid zouden wijzen en hem de passende geneesmiddelen van de penitentie ter beschikking zouden stellen om zijn wonden te helen.

De paus legde hem op gedurende zeven jaren - anderen zeggen gedurende vijf jaar - boete te doen door in een hospitaal te Jeruzalem de armen te gaan verzorgen. Hij aanvaardde het devoot, ontving de pauselijke zegen en vertrok. 



-in Rome, bij paus Eugenius III-


-in Jeruzalem, varkens hoedend
(telkens J.A Schöpf)-

Bij zijn aankomst op de heilige plaatsen zocht hij het hospitaal waar armen en zieken werden opgevangen. Toen zijn medebroeders in het hospitaal de reden van zijn komst achterhaalden, en beseften dat hij een man van aanzien was, wilden ze hem met de minder zware taken belasten.

Maar daarop antwoordde de man Gods dat hij juist de zware inspanning zocht, en er niet aan wilde ontsnappen. Dat hij geen eer, maar vernedering zou betrachten in dienst van de armen, ter ere van Christus, die zich voor ons vernederde. Wat nog meer te vertellen?

Na lang aandringen, kreeg hij het eindelijk gedaan, dat hem de taak werd opgedragen de dieren te weiden. Hij nam dus de hem toevertrouwde verzorging van het vee op zich en ononderbroken gedurende zeven jaren zorgde hij nauwgezet voor zwijnen en ander vee.

Terwijl hij intussen vastend en biddend zich wijdde aan de dienst van God en ononderbroken en onverbiddelijk zijn lichaam kastijdde.


Niet onvermeld mag blijven het feit, dat hij op zekere dag, terwijl hij de kudden hoedde, bij toeval zijn voet - die ongeschoeid was - verwondde aan een venijnige doornstruik. Toen die verwonding tot een ontsteking verergerde leed hij hevige pijnen.

Toen de man Gods zich evenwel herinnerde dat hij in zijn jeugd, in een vlaag van woede eens naar zijn moeder had geschopt, bracht hij dank aan de Schepper, omdat Deze hem een verdiende straf had bezorgd, en wel juist in dat lid van zijn lichaam waarmee hij zich tegen zijn moeder had misdragen. 

Toen dan de tijd van de hem opgelegde penitentie - namelijk een periode van zeven jaar - verstreken was, keerde hij naar Rome terug, over dezelfde weg, waarlangs hij gekomen was.'


[bron 1225/1600]

Geen opmerkingen:

Een reactie posten