'Later, toen de faam van zijn deugden wijd en zijd verspreid raakte
en velen, zelfs uit ver afgelegen streken, hem kwamen opzoeken,
gebeurde het dat ook een adellijke dame uit Heinsberg, Oda genaamd,
en eigenaresse van het domein waarop Gerlach woonde,
hem kwam opzoeken.
In bewondering voor de wonderbaarlijke verandering die de Allerhoogste in hem had bewerkstelligd, en blij om zijn geestelijke groei, schonk zij hem enkele stukken grond, onder andere ook het terrein dat rondom zijn kluizenaarscel gelegen was. Zij deed definitief afstand, ten voordele van hem én van allen die als zijn volgelingen op die plaats de Heer zouden dienen.
Toen hij dan, in zijn oude dag, vermoeid raakte,
en zijn lichaamskrachten het begaven onder de zware inspanningen,
kon hij niet langer, zoals hij altijd gedaan had, te voet op bedevaart gaan naar de H. Servatius.
Van dan af nam hij plaats op de rug van een nederig ezeltje, en met toegewijd dienstbetoon won hij reeds hier op aarde de sympathie van iemand wiens deelgenoot hij zou worden in de hemel.
Na lezing van de evangelieteksten vroeg hij dan, als van vriend tot vriend, drie broden. Hij deed dat verzoek weliswaar beleefd, maar toch ook met aandrang.
Voorts vroeg hij dat God hem, op voorspraak en op grond van Servatius' verdiensten, grotere kennis van de Drievuldigheid zou willen geven, of nog vermeerdering van zijn geloof en hoop en liefde.'
Geen opmerkingen:
Een reactie posten