maandag 27 april 2026

marienfried 4

DERDE VISIOEN OP 25 JUNI 1946 [H. Gulielmus Abt]

'Zoals gevraagd bij de verschijning op 25 mei, 

gingen pastoor Humpf en zijn zus Anna, samen met Bärbel,

op het feest van de heilige abt Willem naar Marienfried.

Het was 18.30u. Onderweg baden ze de rozenkrans. 

Anna versierde het kleine beeldje.


Nadat ze een tijdje hadden gebeden, 

wilde Bärbel, zoals ook eerder, plotseling naar huis. 

Anna zei dat er geen haast was. 


Onmiddellijk daarna zag Bärbel de verschijning,

en riep uit: "Maria, hoe mooi zijt gij!"


-Fresco van Heilige Drievuldigheid,
in de rotskerk van H. Gulielmus,
onder het klooster van Sant'Agostino
in Matera (Italië)-

"Ik ben de Grote Middelares van de Genade. 

De Vader wil dat de wereld deze positie van Zijn Dienstmaagd erkent.

Mensen moeten geloven, dat ik als eeuwige Bruid van de Heilige Geest, 

de getrouwe Middelares van alle Genaden ben.


Mijn teken is in het verschijnen. 

Zo wil God het.

Alleen mijn kinderen erkennen het, 

omdat het zich in het verborgene toont,

en geven de eeuwige derhalve de Glorie.


Mijn macht kan ik vandaag nog niet aan de grote wereld openbaren. 

Ik moet mij met mijn kinderen terugtrekken.

In het verborgen wil ik wonderen in de zielen bewerken,

totdat het getal van de offers compleet is. 


Van jullie hangt het af, de dagen van de duisternis te verkorten.

Jullie bidden en offeren zal het beeld van het Beest verbrijzelen. 

Dán kan ik mij aan de hele wereld openbaren, tot Glorie van de Almachtige.


Kiezen jullie mijn teken,

zodat de Drie-ene God spoedig door allen aanbeden en geëerd mag worden. 

Bid en offer door mij. Bid altijd. Bid de Rozenkrans. 

Smeek alles af bij de Vader, door mijn Onbevlekte Hart. 

Als het tot Zijn glorie strekt, zal Hij het jullie geven.

Bid de Immaculata-Rozenkrans, de genaderijke Rozenkrans, zoals ik jullie heb getoond. 

Vraag daarin niet om vergankelijke waarden, maar smeek genade af voor individuele zielen, 

voor jullie gemeenschappen, voor de volken, zodat allen het Goddelijk Hart liefhebben en eren.

Vier de aan mij gewijde zaterdag zo zoals ik het gewenst heb.


De apostelen en priesters dienen zich allen in het bijzonder aan mij te wijden.

Opdat de grote offers die de Ondoorgrondelijke net van hen eist,

in heiligheid en waarde toenemen wanneer ze in mijn handen worden gelegd.


Brengen jullie mij vele offers.

Maak van jullie gebed een offer. 

Wees onbaatzuchtig. 

Vandaag gaat het er enkel daarom,

de Eeuwige eer en verzoening te schenken. 


Als jullie je hier totaal aan wijden, wil ik voor al het andere zorgen.

Mijn kinderen wil ik kruisen doen dragen, zwaar en diep als de zee.

Omdat ik hen in mijn geofferde Zoon liefheb.

Ik vraag jullie, wees bereid het kruis te dragen,

zodat de vrede spoedig mag komen. 


Kies jullie mijn teken, 

zodat de Drie-ene spoedig eer mag ontvangen. 

Ik eis dat de mensen mijn wensen spoedig vervullen, 

omdat dat de wil van de Hemelse Vader is

en omdat het voor zijn grotere eer en glorie,

vandaag en voor altijd noodzakelijk is.


Een verschrikkelijke wee verkondigt de Vader aan hen

die zich niet aan Zijn Wil willen onderwerpen."


-3x Bewonderenswaardige Moeder (Schönstatt)
centraal in Marienfriedkirche-

De verschijning gaf Bärbel de opdracht deze boodschap bekend te maken. 

Ze zei dat dit haar boodschap aan de wereld was,

en dat de mensen hierover onderwezen moesten worden. 

"Ik wil dat mensen het ervaren, zoals ik het gezegd heb,

woord voor woord, je zult het je herinneren."


Bärbel vroeg hoe dit moest gebeuren. 

De verschijning antwoordde...

dat aan mensen verteld moest worden

dat zij een nieuwe boodschap voor de wereld had. 

Externe omstandigheden en details hoefden niet genoemd te worden.

Het ging er alleen om dat mensen haar wil leerden kennen, 

namelijk de wil van de Vader.


Geesten zouden verdeeld raken over deze boodschap. 

Een grote groep zou er aanstoot aan nemen,

maar een kleine groep zou het correct begrijpen en interpreteren. 

Deze kleine groep zou haar wil erin erkennen en zich verheugen.

Deze groep had haar rol in de huidige tijd herkend,

en haar veel vreugde gebracht.


In veel landen had deze groep haar vertegenwoordigers, 

en zij zouden er mee voor zorgen dat haar boodschap werd verspreid. 

Velen uit deze groep hadden haar verborgen wonderen al mogen zien. 

Ze hadden erkend dat zij de Wonderbaarlijke Moeder was,

en eerden haar onder deze titel [Schönstattbewegung etc....].



Daarna volgde een langer gesprek tussen de verschijning en Bärbel,

die allerlei vragen stelde die pastoor Humpf en Anna haar hadden gegeven. 


Ze vroeg de verschijning om een ​​uiterlijk teken, zodat de mensen haar boodschap zouden geloven.

Daarop antwoordde deze dat zij pas dan tekenen zou geven, als de mensen haar wil vervullen.

Dan zou ze grotere wonderen verrichten dan ooit tevoren, wonderen voor de ziel. 

Ze had al zovele tekenen gegeven, en zo vaak tot de wereld gesproken,

maar de mensen hadden het niet ernstig genomen. 

Door de uiterlijke tekenen waren er grote massa's gekomen,

die echter niet geïnteresseerd waren in het essentiële.


We staan, zei ze, ​​voor een tijd

waarin al diegenen zullen afdwalen,

die enkel door zichtbare wonderen in haar geloven. 

Uiterlijke tekenen zouden velen slechts naar grotere verantwoording voeren, 

omdat ze de noodzakelijke conclusies niet zouden trekken. 


Bärbel vroeg dan of hier nu een kapel gebouwd moest worden.

De verschijning antwoordde: "Ik heb jullie wens vervuld...

Houden jullie je aan jullie belofte!"'


[bron]

marienfried 3



'Toen werd Barbel iets verteld waarover ze niet mocht spreken. 

De verschijning zei dat ze het geheim moest houden.

"Je weet nog niet wat je ermee moet doen. 

Heb vertrouwen. Ik zal je leiden. 

Je zult het op een dag begrijpen."


Tot slot kreeg ze de opdracht om terug te keren op het feest van H. Gulielmus Abt [25 juni].

Wat betreft deze opdracht zei de verschijning nog dat de duivel zo'n macht zou krijgen dat iedereen die niet stevig in haar geworteld was, misleid zou worden, want de duivel wist hoe hij mensen kon verblinden, zodat zelfs de besten misleid konden worden.

Er zou een tijd komen dat ze er helemaal alleen voor zou staan, ​​en vreselijk belasterd zou worden, maar ze moest alles op het vertrouwen grondvesten. Waar mensen niet op haar Onbevlekte Hart vertrouwen, zou de duivel macht hebben. Maar waar mensen haar Onbevlekte Hart in de plaats van hun zondige harten stellen, zou de duivel geen macht hebben. Hij zou echter haar kinderen vervolgen. Ze zouden veracht worden, maar kon hen geen kwaad doen!



Ter bevestiging van de werkelijkheid van de verschijning,

werd Bärbel verteld dat ze naar Kellerberg moest gaan,

op de weg van Pfaffenhofen naar Beuren.

Daar, zei ze, was een man in grote nood. 

Ze moest hem helpen, hem hierheen sturen.

Hier zou hij geholpen worden. 

Dit moest voor haar een teken zijn dat ze zich niets inbeeldde.


Bärbel had die ochtend lang geweigerd naar buiten te gaan, 

omdat ze de gedachte had gehad dat het hele gebeuren een vreselijke illusie zou kunnen zijn. 

Over deze angstige twijfel, zei de verschijning die ochtend tegen haar: "Kijk, vanmorgen heb ik jou helemaal alleen gelaten. Mijn genade was niet met je. Zo zal het vaker gaan. Ik heb offers nodig... De grootste genaden moeten door dergelijk lijden worden verworven."


Aanvankelijk had de verschijning een vergelijkbare uitstraling als die van 25 april, en behield deze eenvoudige gelaatsuitdrukking terwijl ze sprak. 

Na het gesprek, vouwde ze haar handen. 

Toen begon de engel die vlakbij stond te bidden. 

Bärbel kon zich niet alle smeekbeden herinneren. 

Enkele voorbeelden waren:

"Werk als de Moeder van Genade"...

"Werk als de Driemaal Wonderbaarlijke Moeder"

"Driemaal Wonderbaarlijke Genade"...

"Gij, Weg naar de Vrede"...

"Gij, betrouwbare Moeder"...

"Redding van de christenheid"...

"Gij, Grote"...

"Gij, Getrouwe"...

"Gij, Middelares van alle Genade"

Waarop Bärbel steeds antwoordde: "Bid voor ons."


Tijdens dit gebed van de engel

werd de verschijning onbeschrijflijk mooi, geheel licht en stralend.

Ze spreidde haar handen uit.

Het licht, dat eerst alleen in haar gezicht zichtbaar was, 

omhulde nu haar hele gestalte.

Een unieke uitstraling hadden haar ogen.

Boven haar hoofd schitterden driemaal stralen,

de ene boven de andere, als een drievoudige kroon.


Toen de engel zijn gebed had beëindigd, sprak hij tot Bärbel en Anna: "Knielen jullie neer!"

Toen hief de Moeder Gods haar hand op voor een zegen,

die ze gaf als een priester, met de woorden: 

"Ik breng jullie de Vrede van Christus

in de naam van de Vader, en van de Zoon,

en van de Heilige Geest."


Toen de verschijning de zegen gaf, 

werd ze doorzichtig als kristal en nog helderder dan een lichtstraal.

Bärbel werd door de gloed zo verblind, dat ze haar blik moest afwenden.

Toen ze weer opkeek, was de verschijning verdwenen. 


Anna kon van de verschijning niets zien, noch horen.

Alleen Bärbels vragen tijdens het gesprek had ze opgevangen.



Vervolgens ging Bärbel naar de plek die de verschijning had aangewezen

en trof daar inderdaad een man aan die, te oordelen naar zijn spraak, Pools leek te zijn.

Hij zag er nogal radeloos uit en verborg iets onder zijn mantel. 

Bärbel vroeg hem waar hij naartoe ging.

Hij antwoordde: "Het bos in." 

"Wat verberg je onder je mantel?" 

"Niets."

"Je hebt een touw..." 

"Het is zo zwaar... Kan jij mij helpen?"

"Ik kan jou niet helpen, maar breng je naar een plek

waar je wel geholpen kunt worden!"


Ze leidde hem naar Marienfried.

Daar zei hij: "Ik weet niet wat er toch met me aan de hand is,

dat ik me ineens zo makkelijk laat beïnvloeden..."

Daarna bleef hij alleen bij het kleine beeldje. 


's Avonds vonden meisjes die naar het beeldje kwamen

een strop die daar hing. De arme man... 

had er hulp gevonden.'


[bron]

marienfried 2



TWEEDE VERSCHIJNING 25 mei 1946

'Op de ochtend van 25 mei 1946

kreeg Bärbel van een engel de opdracht

om die dag naar de plaats van de verschijning te gaan.

Die engel kwam vaak bij haar, vooral 's ochtends, en bad met haar. 

Hij vertelde haar ook voor welke intenties ze moest bidden.

Hij noemde zichzelf de 'Engel van de Grote Middelares van Genade.'


Na de H. Mis vroeg Bärbel aan Anna om wederom met haar mee te gaan.

Later die ochtend stuurde ze Anna echter een briefje, waarin ze schreef:

dat ze niet naar Marienfried zou gaan, omdat ze het allemaal als bedrog beschouwde.


Daarop waarschuwde Anna's broer, pastoor Humpf, haar dringend

om het bevel van de engel, dat ze tot dan toe altijd opgevolgd had, in te willigen, 

anders zou ze in een rampzalige tegenspraak met zichzelf terechtkomen.

Na de ernstige vermaningen van haar pastoor, 

stemde Bärbel uiteindelijk toe, met tegenzin.


Na 17u gingen ze dan samen naar Marienfried.

Ze versierden het altaartje langs de weg met bloemen, en baden er een tijdje.

Toen Bärbels vader voorbij kwam gereden, zei ze tegen Anna:

"Kom, laten we naar huis gaan."

Maar Anna wilde langer bidden.

Dus bleven ze.


-bijkomende kerk (sinds 2010)-


Plots zag Bärbel de engel naast de boom, die haar naar rechts wees.

Daar zag Bärbel de mysterieuze dame weer staan. 


Zij was helemaal in het wit gekleed, 

met een witte mantel, vergelijkbaar met een cape. 

Haar haar was donker en in het midden gescheiden, 

en haar ogen waren ook donker. 

Er was zo'n prachtig licht in haar ogen, 

zo'n helderheid, puurheid en vriendelijkheid in haar hele gezicht, 

iets wat Bärbel nog nooit eerder had opgemerkt. 


Er was absoluut iets aan haar dat Bärbel op de een of andere manier aantrok, 

iets dat haar meteen betoverde, en voor het eerst geloofde ze

dat ze de Moeder van de Verlosser zag.

Bärbel riep: "Maria!"



Toen zei de verschijning:

"Ja, ik ben de Grote Middelares van Genade. 

Zoals de wereld slechts door het Offer van de Zoon

bij de Vader erbarmen vinden kan, 

zo kunnen jullie enkel door mijn voorspraak

bij de Zoon verhoring vinden.


Christus is daarom zo onbekend

omdat ik niet bekend ben.

Daarom stortte de Vader

Zijn toornbeker uit over de volken,

omdat zij Zijn Zoon verworpen hebben.


De wereld werd aan mijn Onbevlekte Hart toegewijd,

maar deze Toewijding is velen tot vreselijke verantwoordelijkheid geworden.

Ik eis dat de wereld deze Toewijding naleeft.

Heb volstrekt vertrouwen in mijn Onbevlekte Hart.

Geloof dat ik alles kan bij de Zoon.

Stel mijn Onbevlekte Hart in de plaats

van jullie zondige harten.

Dan zal ik degene zijn

die de kracht van God aantrekt.

En de liefde van de Vader zal Christus

nieuw in jullie tot volmaaktheid vormen.


Vervul mijn verzoek.

Zodat Christus spoedig

als Koning van de Vrede

mag regeren.



De wereld moet de beker van toorn

tot de laatste druppel leegdrinken

vanwege de talloze zonden

die Zijn Hart beledigen.


De Ster van de Afgrond

zal woedender woeden dan ooit tevoren,

en een verschrikkelijke verwoesting zal worden aangericht,

omdat hij weet dat zijn tijd kort is,

en omdat hij ziet dat velen zich al

rond mijn teken verzameld hebben.


Over hen heeft hij geen macht,

ook al zal hij de lichamen van velen doden.

Maar uit dit voor mij gebrachte offer, groeit mijn kracht

om de overgebleven kudde naar de overwinning voor Christus te leiden.


Sommigen hebben mijn teken al ontvangen,

en er zullen er steeds meer volgen.

Tegen jullie, mijn kinderen, wil ik zeggen:

vergeet niet, zelfs in de bloedigste dagen,

dat dit kruis een genade is,

en dank de Vader steeds weer

voor deze genade.



Bid en breng offers voor zondaars.

Bied jezelf en je doen aan de Vader op door Mij.

Stel jezelf volledig ter beschikking van Mij.


Bid de Rozenkrans.

Bid niet zozeer om materiële goederen.

Vandaag gaat het om meer.


Verwacht geen tekenen en wonderen.

Ik wil in het verborgene werken

als de Grote Middelares van Genade.


Ik zal jullie vrede in het hart schenken,

als jullie mijn verzoeken inwilligen.

Alleen op deze vrede

zal de vrede der volken worden gebouwd.

Dan zal Christus regeren

als Koning van de Vrede

over de volken


Zorg ervoor dat mijn wil bekendgemaakt wordt

Ik zal jullie de nodige kracht geven


Bärbel wierp tegen:

"Ik kan me dat niet allemaal herinneren,

omdat ik een slecht geheugen heb!..."


De verschijning zei haar dat ze vertrouwen moest hebben;

op het juiste moment zou ze de juiste woorden weer horen.'


[bron]

marienfried 1



'Het was 1944.

De oorlog was een fase ingegaan die een verschrikkelijk einde leek te gaan betekenen.

Toen legde E.H. Martin Humpf, pastoor van Pfaffenhofen a/d Roth, in de Landkreis Neu-Ulm in Beieren, een gelofte af aan de Heilige Maagd Maria, om een ​​kapel voor haar te bouwen als dank voor haar bescherming tijdens de oorlog. 

De parochie van Pfaffenhofen had het geluk Maria's bescherming inderdaad te ervaren en de oorlog te overleven. Een jaar na het einde van de oorlog wilden pastoor Humpf en zijn parochianen dan ook hun gelofte niet langer uitstellen. Allereerst moest er een locatie voor de beloofde Mariakapel worden gekozen, want er waren twee plekken voorgesteld.



Op donderdag 25 april 1946, nu tachtig jaar geleden... ging pastoor Humpf, samen met zijn zus Anna (toen 26j.) en haar vriendin Bärbel Rüß (22j.), rond 15u het bos in om beide locaties te bekijken. 

Onderweg naar de tweede locatie, bespraken ze ook de geschiedenis van bedevaartsoorden, waar Maria vaak de plek die ze wenste met een teken had aangewezen. Pastoor Humpf sprak de wens uit dat ook zij een teken zouden ontvangen. Ze baden samen de rozenkrans, en keerden ondertussen terug naar de eerste open plek, om het gebied alvast wat te ontginnen.

Ze verwijderden onkruid, en maakten de grond schoon, om een ​​open plek te creëren op de gekozen locatie. En wilden een klein schilderijtje ophangen aan een prachtig gegroeide boom te midden van dicht struikgewas, en daarmee een begin maken met het project.



De drie waren nog niet lang aan het werk, 

toen Bärbel Rüß plots zei: "Iemand heeft mij geroepen!"

Pastoor Humpf dacht dat het wel Bärbels zusje zou zijn, maar er was niemand te bekennen.

Daarop ging Berbel de struiken in, en riep: "Komt u eens kijken wat voor vrouw dit is!"

Pastoor Humpf kwam dichterbij, maar kon niemand zien. 

Hij trof Berbel aan in gesprek met iemand die hij niet kon zien. 

Hij hoorde haar vragen: "Wie bent u eigenlijk?... Hoe weet u dat?... Dat begrijp ik niet..."

Pastoor Humpf en zijn zus Anna beseften stilaan dat Bärbel een visioen had.

De vrouw verdween en Bärbel ging weer aan het werk.

-

Ze werd een tweede en derde keer geroepen,

en sprak opnieuw met de verschijning. Ze vroeg:

"Wie bent u?... Hoe weet u dat eigenlijk?... Ik begrijp dat niet...

Ja, dat was zes jaar geleden, op 13 mei 1940, Pinkstermaandag.

Hoe weet u dat?..."


Weer verdween de verschijning.

Bärbel was ervan overtuigd dat pastoor Humpf en zijn zus die vrouw ook hadden gezien, en dat ze alles net zo goed hadden gehoord. Toen ze dit ontkenden, werd Berbel woedend en zei: "Ik weet toch zeker  wel wat ik gezien heb? Ik ben nog bij mijn volle verstand!" Ze was behoorlijk verontwaardigd omdat ze allebei beweerden niets van dat alles te hebben gezien.




Toen de pastoor Bärbel de volgende dag vroeg wat de vrouw dan precies had gezegd,

antwoordde zij: "Het zijn woorden die ik niet begrijp:

'Daar waar het meeste vertrouwen is, 

en waar men mensen leert dat ik alles kan bij God,

zal ik vrede verspreiden.

Dan, wanneer alle mensen

in mijn macht geloven, 

zal er vrede zijn.


Ik ben het teken

van de levende God.

Ik druk mijn kinderen

mijn teken op het voorhoofd.

De Ster zal mijn teken vervolgen.

Mijn teken zal echter de Ster overwinnen.'



Als antwoord op de vraag wie zij was,

kreeg Bärbel het antwoord: 

'Als ik de sluier niet droeg,

zou je mij herkennen.'


Toen ze wegging, voegde de vrouw eraan toe:

'De vrede van Christus zij met jullie

en met allen die hier bidden.'



Toen begreep pastoor Humpf dat dit het gewenste teken was!

Nu wist hij zeker dat de kapel hier geplaatst moest worden.


Vervolgens vroeg hij Bärbel wie de vrouw kon zijn.

Ze zei dat zij het niet wist.


Het was wellicht dezelfde vrouw die ze op 13 mei 1940 op weg naar het bos had ontmoet. 

Destijds had die haar de zogenaamde Immaculata Rozenkrans geleerd.

Toen Bärbel vroeg wat voor rozenkrans dat was, had ze gezegd,

dat in plaats van de bekende mysteries van de rozenkrans

de volgende smeekbeden moesten worden gebeden:

1 Door uw Onbevlekte Ontvangenis, red ons vaderland.

2 Door uw Onbevlekte Ontvangenis, bescherm ons vaderland.

3 Door uw Onbevlekte Ontvangenis, leid ons vaderland.

4 Door uw Onbevlekte Ontvangenis, heilig ons vaderland.

5 Door uw Onbevlekte Ontvangenis, heers over ons vaderland.

In plaats van het vaderland, kon ook een andere intentie worden ingevuld.


Pastoor Humpf zei toen: "Die vrouw lijkt mij de Moeder Gods!"

Hierop was Bärbel volkomen van streek. 

En weigerde dit te accepteren.

Onder geen beding.'


[bron]

beit hogla 2



ongeveer 100 km ten zuiden van Beit Hogla

eveneens op de Westelijke Jordaanoever

m.a.w. in Palestijns gebied...


dit schooltje in Umm al-Khair

een Palestijns bedoeïnendorp

vlakbij het kolonistenkamp

'Carmel' genaamd...




Umm al-Khair...

'Moeder', oftewel 'Bron'...

'van Goedheid', of 'Welwillendheid'...



maar... ook bijnaam


de eerste kalief na de profeet Mohammed




die door Sjiitische moslims niet werd noch wordt geaccepteerd:

volgens hen behoorde het leiderschap toe aan Ali ibn Aboe Talib

(vader van het soefisme!) door goddelijke aanwijzing


Sjiieten beschouwen het kalifaat van Abu Bakr als onwettig

ze zien hem als een usurpator van Ali's recht

en hebben een negatieve kijk op zijn daden

zoals de inbeslagname van Fadak...




de vruchtbare oase (tuin!) die Fatima toekwam

de jongste dochter van de Profeet

(die erg aan Maria doet denken)

na de dood van haar vader


Abu Bakr baseerde dit op een hadith

waarin staat dat profeten geen erfenis achterlaten

en dat hun bezit als liefdadigheid (sadaqah)

wordt beheerd door de staat




Sjiieten huilen nog steeds, jaarlijks,

wanneer dit verhaal zes dagen lang

opnieuw wordt verteld


(eind nov.)

!!





dinsdag 21 april 2026

 




anselmus 4



'Al een paar jaar later moest Anselmus in ballingschap

vanwege zijn onverzettelijke houding jegens William II de Rode,

de tirannieke koning van dat moment. 

Deze meende invloed te kunnen uitoefenen op kerkelijke benoemingen en beslissingen.

 Anselmus verzette zich daar krachtig tegen. 


Zo kwam hij via Frankrijk weer in Italië terecht. 

Daar woonde hij een aantal bisschoppenvergaderingen bij

en deed veel goed werk in dienst van de geloofsgemeenschap.



Na de dood van William Rufus trad Hendrik I als koning aan.

Deze liet Anselmus vragen terug te keren naar Canterbury. 

Maar wederom ontstond er en conflict. 

De koning behield zich het recht voor zelf bisschoppen aan te wijzen

en eventueel zelfs nieuwe bisschopssteden. 


Anselmus boog niet,

en voor de tweede keer ging hij in ballingschap. 

Zijn terugkeer in 1106 werd een overweldigende triomftocht. 

En hij stierf toch als een gevierd bisschop,

drie jaar later, in 1109.



In de tijden van ballingschap

had hij voldoende tijd gehad om na te denken over moeilijke vragen van het geloof 

en er boeken over te schrijven. 


Beroemd is zijn boek Cur Deus Homo, over de Menswording van Gods Zoon. 

Het zou van grote invloed blijken op de wetenschap van de komende eeuwen.


Hij wordt afgebeeld als bisschop (met mijter, staf en tabberd) of als abt (enkel staf).

Meestal met een boek, vanwege zijn theologische arbeid.

En soms met een schip vanwege zijn talloze reizen overzee.'


[bron]

anselmus 3



2e anekdote: De Vogel

'Een andere keer zag Anselmus

hoe een jongetje een vogel aan een touwtje had vastgebonden. 

Als hij het touwtje liet vieren, vloog het vogeltje op, in de hoop te ontsnappen. 

Maar telkens en telkens weer viel het diertje terug, en trok de jongen het naar zich toe. 

Hij had er duidelijk veel plezier in. 


Maar onze heilige vader hoopte dat het touwtje zou breken. 

En dat gebeurde, en de vogel ontkwam!

Het kereltje zet het op een huilen,

maar Anselmus lachte tevreden.


Hij riep ons bij zich en vroeg:

"Heb je dat spelletje van dat jongetje gezien?

Nou, precies zo speelt de duivel zijn spelletjes met de mensen. 

Hij houdt ze door allerlei kwaad aan het lijntje. 

Hebzucht en wellust brengen hen het hoofd op hol, en ze leven erop los.


Soms komt het in hen op, wat voor leven ze eigenlijk leiden.

Dan komen ze tot zichzelf, en nemen zich voor om zich van dat alles los te maken. 

Net als die vogel van daarnet, zoeken ze de vrijheid. 


Maar omdat de vijand ze aan het lijntje van hun slechte neigingen houdt, 

vallen ze weer terug en begint alles weer van voren af aan.

En dat gaat zo eindeloos door. 


En zo vinden ze nooit de vrijheid...

als er niet een krachtige impuls van buiten komt

die het duivelse lijntje breekt."'


[bron]

anselmus 2



De haas op de vlucht

'Na een bezoek aan koning William II de Rode, reed Anselm terug naar huis.

Plots schoot een haas voorbij die blijkbaar ergens voor op de vlucht was. 

De jonge leerlingen uit het gezelschap gingen er meteen achteraan. 

Op het moment dat ze dachten het dier te pakken te hebben, 

zocht het veiligheid onder het paard van Anselmus. 



De heilige voelde de angst van het opgejaagde diertje, 

hield de teugel in, en liet niemand toe er een vinger naar uit te steken. 

Ook de honden, die er uitgelaten omheen blaften, legde hij het zwijgen op.


Wij keken dit alles met verbazing aan. 

Een paar lieden uit ons gezelschap lachten hardop

en hadden duidelijk plezier in het hele gebeuren. 

Maar Anselmus moest ervan huilen! 



Hij zei: 

"Ja, lachen jullie maar!

Maar dit arme dier hier heeft niets te lachen. 

Overal om hem heen, heeft hij vijanden die het op zijn leven hebben gemunt. 

Alleen bij ons vindt hij veiligheid. 


Nou, zo zit het ook met de ziel van elke mens. 

Als die van het lichaam afscheid neemt, komen de boze geesten meteen op haar af

om haar te grijpen en haar in het verderf te storten. 

In doodsangst kijkt ze wanhopig om zich heen

of er ergens een veilig plekje te vinden is. 

Hoe verlangt ze naar een hand die zich naar haar uitstrekt om haar te helpen!

Maar de duivels rondom haar lachen hardop. Wat een lol, plezier hebben ze

om een arme die geen redding of toevlucht vindt!"



Hij gaf zijn paard de teugel en reed verder, 

en verbood de honden nog achter het dier aan te gaan. 

En zo ontkwam die haas, opgelucht met grote sprongen. 


Ons was intussen het lachen vergaan. 

Met onze gedachten bij de vreugde dat elk schepsel bestemd is om verlost te worden, 

zetten we onze reis verder.'


[bron]