270.6
Maria Valtorta:
'"Simeon, kun je me vertellen hoe hij gestorven is?"
vraagt Jezus na een tijdje.
"Ja. Hij was aan het bidden...
Hij had me al eerder gezegd: 'De twee gemandateerden zullen spoedig terugkomen, en zij die niet geloven, zullen geloven. Maar onthoud, ook al leef ik niet meer wanneer ze terugkeren, ik, als iemand die bijna dood is, zeg je nog steeds, zodat jij het aan hen kunt vertellen: Jezus van Nazareth is de ware Messias!'... Hij dacht altijd aan Jou...
De beul kwam binnen.
Ik schreeuwde luid.
Johannes sloeg zijn hoofd op en zag hem.
Hij stond op.
Hij zei: "Jij kunt alleen mijn leven nemen.
Maar de waarheid - die blijft bestaan - is
dat het niet geoorloofd is om kwaad te doen."
-idem (studie)-
En hij stond op het punt iets tegen mij te zeggen
toen de beul zijn zware zwaard zwaaide, terwijl Johannes nog stond,
en het hoofd met een grote stroom bloed van de romp viel,
waardoor de geitenhuid rood kleurde,
en het magere gezicht wasachtig werd,
maar de ogen bleven levend,
open, beschuldigend.
Het rolde tot bij mijn voeten...
Ik viel samen met zijn lichaam neer,
door een flauwte wegens de pijn...
Later... nadat...
nadat Herodias hem had verminkt,
werd het hoofd aan de honden gevoerd.
Maar wij raapten het onmiddellijk op
en bonden het met een kostbare sluier aan de romp,
het lichaam 's nachts weer in elkaar zettend
en hem wegvoerend buiten Machaerus.
We balsemden hem in een nabijgelegen acaciabos,
bij het eerste licht, met de hulp van andere discipelen...
Maar hij werd weer van ons afgenomen
voor andere verminkingen.
Omdat zij hem noch vernietigen,
noch vergeven kan...
En haar slaven, bang voor de dood,
waren woester dan jakhalzen
in het afhakken van dat hoofd."'
Geen opmerkingen:
Een reactie posten